Archive for the ‘Instructiemateriaal’ Category

SMART- Leerdoelen formuleren

vrijdag, januari 29th, 2016

Het formuleren van leerdoelen kan soms best moeilijk zijn. Er een aanpak die je kan helpen om het formuleren wat structuur te geven. Dit heet de SMART-methode en werkt als volgt:

SMART-betekend: Specifiek, Meetbaar Acceptabel, Realistisch, Tijdgebonden

Uitleg:
•S = Specifiek. Wees zo specifiek (concreet) mogelijk in de formulering van je leerdoel. Zeg precies wat je wilt behalen en noem dit zo duidelijk mogelijk.
•M = meetbaar. Waaraan kun je zien dat je jouw doel hebt behaald? Bijvoorbeeld: “Binnen 2 weken heb ik 10 kwaliteiten van mezelf op papier opgeschreven.” Zo kun je na 2 weken feitelijk zien of je het doel behaald hebt of niet.
Ik zal beter mijn best doen om op tijd te komen’ is wordt ‘ik zal minimaal 4 van de 5 dagen op tijd komen’.
•A = acceptabel. Je doel moet “acceptabel” zijn. Is het doel haalbaar die je jezelf stelt voor jezelf en voor je omgeving? Is er voldoende draagvlak om het doel te behalen?
•R = realistisch. Is je doel wel realistisch? Stel je niet te hoge eisen aan jezelf of leg je de lat te hoog voor jezelf? Ga na of je doel haalbaar is binnen het tijdsbestek dat je jezelf geeft.
•T = tijdsgebonden. Het termijn waarbinnen je dit doel behaald wilt hebben, bijvoorbeeld in een week, maand, half jaar, einde stageperiode.


Voorbeeld 1:

Specifiek:
Aan het einde van mijn stageperiode ben ik in staat om te kunnen omgaan met mijn perfectionisme zodat dit mij niet meer kan blokkeren in mijn verdere ontwikkeling. Indien ik dit leerdoel heb behaalt ben ik in staat om mij te houden aan een realistische planning met betrekking tot het maken van mijn verslagen en rapportages. Dat betekent dat ik mijn afspraken nakom met het aantal woorden wat ik in een verslag typ. Ik zal het verslag maximaal twee keer nakijken. Mijn stagebegeleider leest mijn verslagen en helpt mij te ondersteunen met mijn leerdoel: omgaan met perfectionisme met betrekking tot het maken van verslagen en rapportages.

Meetbaar:
Door om de twee weken op de dinsdag een reflectieverslag te schrijven hoe ik aan dit doel heb gewerkt kan ik mijn ontwikkeling binnen mijn leerdoel zien. De vragen die ik aan mezelf stel zijn: heb ik binnen een tijdsplanning mijn verslag/rapportage af ? heb ik me gehouden aan het aantal woorden in een verslag/rapportage ? heb ik aan mezelf getwijfeld of het verslag wel in orde is? Ben ik in staat geweest om het verslag maar twee keer door te lezen en het dan in te leveren ? heb ik geen controle gevoel meer met vragen of dit wel klopt en juist is wat ik doe ? Ook zal ik om de twee weken aan mijn stagebegeleider om feedback vragen met betrekking tot mijn leerdoel: omgaan met perfectionisme.

Acceptabel:
Het doel is acceptabel, omdat ik hieraan kan werken zowel op stage als in mijn vrije tijd. Mijn stagebegeleider heeft al meerdere keren mij erop gewezen dat het met minder schrijven ook goed is. Zij zegt dan: less is more! Ik heb dit leerdoel ook met mijn stagebegeleider besproken. Zij zal mij ook ondersteunen en aanspreken wanneer ze merkt dat ik een te grote druk op mezelf leg en doorschiet in mijn perfectionisme. Ook zal zij om de twee weken met mij een evaluatiegesprek houden met betrekking tot mijn ontwikkeling binnen deze leerdoel.

Realistisch:
Het is een realistische doel, omdat ik hieraan mag werken op stage en als ik verslagen maak voor stage. Ook wordt ik er op gewezen door mijn stagebegeleider omdat ik samen met haar evaluatiemomenten heb met betrekking tot mijn leerdoel. Een hulpmiddel die ik hierbij heb is dat ik mezelf kan controleren, doordat ik een reflectie schrijf met vragen over mijn leerdoel. Dat maakt mij bewust van mijn houding en leerdoel. Ik heb voor mezelf afgesproken dat ik 6 maanden aan dit leerdoel kan werken.

Tijdsgebonden:
Op 7 september 2015 ben ik begonnen om aan mijn leerdoel te werken. Ik heb het doel omgaan met perfectionisme behaald op 7 maart 2016. (derde stageperiode).


Voorbeeld 2:

specifiek:
Wanneer mij “iets” dwars zit met betrekking tot de samenwerking met collega’s, ga ik dit uitspreken. Ik ga dit doen door de gebruik te maken van de feedback techniek de 4, g’s. Ik benoem de gebeurtenis, het gevolg, mijn gevoel en het gewenst resultaat wat ik graag zou willen zien. Ik kan open en eerlijk naar collega’s zijn m.b.t. de samenwerking en zal door het uitspreken aan het einde van de dag met een prettiger gevoel naar huis gaan.

Meetbaar:
Wanneer ik een in zo’n situatie beland, ga op dezelfde dag mijn gevoel uitspreken. Ik noteer wat mij dwars zit, en wanneer ik dit naar mijn collega(s) heb uitgesproken. (de tijd, wanneer de situatie plaats vond en de tijd die er tussen heeft gezeten voordat ik het uit heb gesproken). Daarnaast noteer ik hoe ik de 4 G’s heb gebruikt. Dit geeft mij inzicht en overzicht om te zien of ik mijn leerdoel behaald heb.

Acceptabel:
Er word van mij als hulpverlener en ook als collega verwacht dat ik in een team kan aangeven wat ik goed vindt gaan m.b.t.. de samenwerking maar ook waar ik tegen aanloop/dwars zit. Het is een acceptabel doel omdat dit als stagiaire/werknemer in een organisatie ook van je verwacht wordt. Mijn stagebegeleider vindt ook dat dit een leerdoel is waar ik nog aan moet gaan werken. Er is dus sprake van draagvlak en ondersteuning.

Realistisch:
In het werk dat ik ga doen als hulpverlener is het belangrijk dat je aangeeft wat er goed gaat maar ook waar je last van heb/ wat je dwars zit. Het is van belang dat ik dit leer uitspreken en er niet mee rond blijf lopen. De feedback techniek van de 4 g’s helpt mij om als hulpverlener op een goede manier feedback te geven en hier ook mee te oefenen.

Tijdgebonden:
Ik wil aan het einde van periode twee (01-06-2016) dit leerdoel behaald hebben. Ik kan dan naar collega’s toe volgens de 4 g’s feedback techniek aangeven en uitspreken wanneer er mij iets dwars zit met betrekking tot de samenwerking.

Handige tips, voor het maken van een goede PowerPoint presentatie

woensdag, maart 2nd, 2011

PowerPoint is een veelgebruikt programma voor het maken en geven van presentaties. Het gebruik van de juiste kleuren, lettertypes, plaatjes en tekst bepalen voor een groot deel hoe jouw presentatie overkomt.

Daarom wat handige tips:

*Voor presentaties op een groot scherm is een donkere achtergrond met een lichte letter het meest geschikt. Vermijd een witte achtergrond met zwarte letters; mensen kunnen hier niet lang naar kijken. Wanneer letters en achtergrond bijna dezelfde kleur hebben is de presentatie onleesbaar.

*Zorg ervoor dat de achtergrond rustig is. Het liefst één kleur. Verwerkt  je wel een plaatje in de achtergrond, doe dat dan op een zodanige manier dat het bijna niet zichtbaar is anders heeft het te veel invloed op de leesbaarheid van de tekst.  En de bedoeling is dat mensen ook de tekst kunnen lezen.

*Gebruik zo weinig mogelijk kleuren in de tekst. Bij gebruik van meerdere kleuren gaan mensen zich afvragen waarom dat is en verdwijnt de aandacht. De regel is niet meer dan twee kleuren per dia en niet meer dan drie kleuren per presentatie.  Maak alleen onderscheid in kleur tussen bijvoorbeeld titel en tekst, maar niet binnen de tekst of tussen dia’s. Gebruik geen verschillende lettertypes.

*Gebruik zo min mogelijk tekst. Maximaal 7 regels per dia. Niet meer! Het is dan niet meer duidelijk en overzichtelijk.

*Gebruik grote en duidelijke letters. Mensen moeten je tekst op je dia goed kunnen lezen. Gebruik daarom maar één soort lettertype, liefst 24 of groter.

*Gebruik animatie en overgangseffecten met mate; niet meer dan twee of drie verschillende soorten effecten per presentatie, en niet meer dan één per dia. Anders wordt de presentatie veel onrustig.

*Gebruik beelden. Een presentatie met alleen maar tekst is saai en blijft niet hangen. Gebruik daarom beelden zoals plaatjes, grafieken en foto’s die de inhoud van je tekst ondersteunen. Overdrijf daarbij niet en gebruik niet meer dan twee plaatjes per dia. Ook hier geldt dat de hoeveelheid informatie per dia niet te groot mag zijn.

Presenteren

zaterdag, april 3rd, 2010

Waarom presenteren???
Het wordt in de onze maatschappij steeds belangrijker om jezelf of een onderwerp goed te presenteren. Daar gaan we hier alvast op een redelijk “veilige” manier mee oefenen.

Waar moet een goede presentatie aanvoldoen????
* Zorg voor een goede voorbereiding.
* Spreek met elkaar af wie wat gaat doen.
* Zorg ervoor dat de informatie die je vertelt  interessant is. Vertel wat nieuws.
* Zoek plaatjes op over het onderwerp, maak eventueel foto’s op het bord of maak een tekening.
* Maak een duidelijke taakverdeling: wie zegt wat/wie doet wat.

Je kunt je informatie op verschillende manieren vertellen:
Je kan je klasgenoten er bij betrekken:
*Mensen willen betrokken worden. Dit is de manier om ervoor te zorgen dat je publiek het onthoudt. Als je luisteraars actief betrekt, wordt je presentatie ook voor jezelf leuker en gaat de tijd sneller.

Er zijn talloze manieren te bedenken om mensen actief te betrekken. Welke manier de meest geschikte is, hangt af van doelgroep, doel en thema. Je moet aan het einde altijd mensen gelegenheid te geven om vragen te stellen.

Je kunt om je presentatie leuker te maken bijvoorbeeld:
*Kruiswoordpuzzel maken.
* Woordpuzzel maken.
*Een tekening over het onderwerp laten maken.
*Een spelletje over dit onderwerp etc.
*Je stelt een vraag en gooit een bal. Degene die’m vangt geeft het antwoord en mag een nieuwe vraag stellen. Degene die de bal weer vangt, antwoordt etc. etc.

*Stellingen maken:
-Laat voor- of tegenstanders de vinger opsteken.
-Laat buren er met elkaar over discussiëren.

Waar moet je opletten bij je houding?
Let op je handen: Als je je handen stil wilt houden is het gevaar dat je gaat zoeken naar steun bijvoorbeeld een tafel of een ander voorwerp waaraan “ze” zich kunnen vasthouden. Het is goed om tijdens de presentatie van houdingen te wisselen. Let tijdens de presentatie ook op je voeten. Met je voeten bepaal je namelijk de stevigheid en stabiliteit. Het kruisen van je enkels kan duiden op onzekerheid  en geslotenheid. Zet je voeten iets meer uit elkaar en verdeel het gewicht over beide benen. Je houdt het staan langer vol en door deze houding aan te wennen voorkom je ook het zenuwachtig overkomende heen en weer “wippen.”
Maak oogcontact met de hele groep. Richt je niet op een persoon of kijk niet naar de vloer.

Handleiding met belangrijke punten voor het houden van een presentatie

zaterdag, april 3rd, 2010

Samenwerken:
Bespreek en maak afspraken welk doel je wilt bereiken met de presentatie.
Maak duidelijke afspraken over de taakverdeling en spreek af wanneer wat klaar is.
Maak goede afspraken over de opbouw van de presentatie (kop, romp, staart)
Zorg voor een duidelijke structuur in je presentatie.
Maak een tijdsplanning. (inleiding, presenteren, samenvatting)
Sta open voor  feedback van je mede –studenten.

Het gebruik van de ruimte:
Het is prettig om de stoelen in een halve kring neer te zetten. Zelf neem je met het je groepje een plaats in het midden van het open deel van deze kring in. Hierdoor heb je een centrale plaats waaruit je iedereen van de klas gemakkelijk kan aankijken. De halve kring- opstelling zorgt ervoor dat mede –klasgenoten, bijvoorbeeld wanneer een van hen een vraag stelt, zich ook makkelijker op elkaar kunnen richten. Dit nodigt uit tot een actieve deelname.

Het is handiger om te staan dan om te zitten. Als je staat ben je goed te zien en het geeft je de mogelijkheid om te bewegen en het veranderen van positie. Dit houdt de presentatie ook levendig.

Ondersteunende gebaren:
Het is goed om tijdens de presentatie gebruik te maken van ondersteunende gebaren. Je moet er wel opletten welke gebaren je maakt. Het is bijvoorbeeld goed om je zinnen te ondersteunen met een naar vorengerichte open handpalm(en). Dit geeft eerlijkheid en openheid weer. Niet wijzen, een wijsvinger geeft daartegen het gevoel als een beschuldiging. Om nu precies te weten welke gebaren je wel of niet te gebruiken, is het handig om te kijken hoe jij je voelt tijdens een presentatie van een ander. Let er eens op hoe jij je voelt wanneer er bepaalde gebaren worden gemaakt. Je eigen gevoel is je graadmeter. Hierdoor zal je er zelf sneller achter komen welke gebaren je nou juist wel en niet moet maken.

Intonatie:
Je stem is ook een belangrijk hulpmiddel tijdens de presentatie. Je kunt er niet alleen woorden mee uitspreken, maar met behulp van intonatie kun je accent en levendigheid in je presentatie brengen. Je kunt er iets mee accentueren of afzwakken. Het afwisselen van volume en toonhoogte maakt de presentatie levendig.  

Houding:
Let op je handen: Als je je handen stil wilt houden is het gevaar dat je gaat zoeken naar steun bijvoorbeeld een tafel of een ander voorwerp waaraan “ze” zich kunnen vasthouden, ze zoeken elkaar. Hierdoor ontstaan vaak gesloten houdingen. Een verkrampte of onrustige houding kunnen de aandacht en concentratie bij de luisteraars wegnemen. Doe je armen niet over elkaar, dit kan duiden op geslotenheid. De luisteraars zullen automatisch deze houding gaan spiegelen en zullen hierdoor minder openstaan voor de presentatie.
Als je je handen je je broekzak houdt kan dit voor de groep nonchalant, ongeïnteresseerd, onverschillig of dominant over kunnen komen. Net als de handen op de heupen en vooral als je daarbij naar voren leunt kan op de groep als uitdagend, eigenwijs of zelfs agressief over komen. Het kan de indruk geven van; “ ik weet het beter”.  De luisteraars zullen zich hierdoor sneller in de verdediging op stellen. Een hand op de heup of een hand een zak heeft een ander effect dan beide handen. Het is goed om tijdens de presentatie van houdingen te wisselen. Let tijdens de presentatie ook op je voeten. Met je voeten bepaal je namelijk de stevigheid en stabiliteit. Het kruizen van je enkels kan duiden op onzekerheid  en geslotenheid. Zet je voeten iets meer uit elkaar en verdeel het gewicht over beide benen. (door deze houding aan te wennen voorkom je ook het zenuwachtig overkomende heen en weer “wippen”) Let erop dat je non-verbale communicatie klopt bij wat je zegt. Maak oogcontact met de hele groep. Richt je niet op een persoon of kijk niet naar de vloer. 

Het letten op Non-verbale feedback van je luisteraars:
Het is belangrijk om te letten op de lichaamstaal van de luisteraars. Aan de manier waarop ze zitten, kijken, bewegen kun je een indruk krijgen van hoe het verhaal op hen overkomt. Zitten ze onderuitgezakt of rechtop? Hebben ze een open houding of zitten ze met hun armen over elkaar. Waar is hun blik op gericht? Op de gene die aan het woord is of op de vloer? Bewust zijn van de lichaamsstaal van de luisteraars geeft je de mogelijkheid om de presentatie te sturen. Zo kun je bijvoorbeeld door wisseling van stemvolume of het maken van een humoristische opmerking de aandacht weer op je vestigen.

Reflecteren

vrijdag, april 2nd, 2010

Reflecteren begint met het kijken naar je eigen gedrag. Je bent bereid jouw
denken, voelen en handelen te onderzoeken. Je reflecteert op je gedrag
in een bepaalde situatie, bijvoorbeeld na het maken van een opdracht. Wanneer je je bewust bent van een situatie waarop je wilt reflecteren, ga je jezelf vragen stellen over jouw gedrag in die situatie.
Hoe meer vragen je jezelf stelt, hoe meer antwoorden je jezelf kunt
geven.

Voorbeeld vragen die je jezelf kan stellen:

  1. Hoe vind ik dat je hebt gewerkt en waarom vind je dat?
  2. Ben je tevreden over hoe je aan de opdracht hebt gewerkt? En vooral waarom ben je dat  wel of waarom niet?
  3. Wat ging er goed? en leg duidelijk uit waarom je dat goed vond gaan.
  4. Wat ging er minder goed en hoe komt dat?
  5. Hoe kan je ervoor zorgen dat je dit de volgende keer je niet overkomt?
  6. Hoe verliep de samenwerking? (taakverdeling, contact, overleg etc.)
  7. Wat heb je van de opdracht geleerd? En hoe kan je dit in andere situaties gebruiken?