Omgangskunde

Diverse aspecten van omgangskunde-gebieden:
1) JEZELF
– zelfbeeld en zingeving;
– verbondenheid; waarden en normen; sociaal-ethische oriëntatie;
– gezond gedrag, welzijn en verzorging, sexualiteit; voedingseducatie;
– sociale vaardigheden als communicatie, assertiviteit, omgaan met eigen boosheid, woede, agressie en geweld;
– emotionele vaardigheden als omgaan met teleurstelling, verdriet, echtscheiding, depressie, ziekte of handicaps, dood;
– omgaan met werk, geld, ontspanning, vrijwillige inzet;
– expressie (o.a. als leervorm: muziek, drama etc.).

2) DE ANDER
– sociale vaardigheden als: communicatie; conflicthantering; bemiddeling; feedback; met kritiek omgaan; omgaan met boosheid,
woede, agressie en geweld van anderen; pesten, discriminatie, seksisme doorzien en aanpakken;
– opvoedkunde (als voorbereiding op toekomstig ouderschap);
– basiskennis ehbo.

3) DE SAMENLEVING
– levensbeschouwing;
– interculturele vorming; universele waarden;
– dierenwelzijn;
– milieu-educatie;
– cultuureducatie;
– de media;
– verkeersles;
– openbaar vervoer;
– brandpreventie;
– vandalisme en criminaliteit voorkomen;
– het belang van vrijwilligerswerk; sociale activiteiten; inzet voor buurt of wijk;
– beroeps-oriëntatie;
– actief burgerschap; democratische processen; besluitvorming;
– eventueel aangevuld met wereldoriëntatie: internationale samenwerking; ontwikkelingssamenwerking; positie van kinderen in andere delen van de wereld;
mensenrechten; armoede en honger; globalisering; het werk van NGO’s (niet-gouvernementele organisaties).

Vakspecifieke leer- en evaluatiemiddelen:
* Heeft zijn/haar portfolio op orde en kan aantonen wat hij/zij geleerd heeft.
* Kan leerdoelen benoemen, vertellen hoe hij/zij daaraan gewerkt heeft en hoe dit is terug te zien in concreet gedrag.
* Kan terug kijken op een situatie en hiervan een reflectie maken.
* Kan kwaliteiten van zichzelf noemen.
* Kan leerdoelen benoemen en weet hoe hij/zij aan deze leerdoelen wil gaan werken.
* Gaat wanneer hij/zij kritiek krijgt niet in de aanval of verdediging maar weet volgens de regels van omgaan met   kritiek te handelen.
* Kan samenwerken in een groep en probeert eerst samen tot een oplossing te komen. Hij/zij kan aangeven welke acties er zijn ondernoemen.
* Kan zijn/haar mening geven en geeft hierbij argumenten.

Didactische volgorde en presentatie van diverse leerstofonderdelen
:
Als docent is het belangrijk om eerst de beginsituatie in kaart brengen. Wat weten de leerlingen al en welke vaardigheden hebben de leerlingen al opgedaan? De beginsituatie geeft je als docent de informatie die nodig is bij het kiezen van de leerstof en het organiseren het onderwijs. Welke eerdere ervaringen met werkvormen hebben de leerlingen, welk het moment van de dag geef ik mijn lessen, hoe is het pedagogisch klimaat in de klas en waar liggen de interesse van de leerlingen zijn allemaal van belang om aan te kunnen sluiten bij de leerlingen.
Daarna is het van belang dat de docent zicht richt op motivatie. Het klassenklimaat bevorderen waarin leerlingen zich geaccepteerd voelen en het gevoel van orde en veiligheid ervaren.  Het bespreekbaar maken hoe belangrijk het is om een goed klassenklimaat te hebben. Wat verstaan de leerlingen hieronder? Wissel als docent eigen ervaringen met leerlingen hierover uit.
Het inzicht geven in de lesdoelen is van belang zodat leerlingen weten aan welke doelen er gewerkt gaan worden. Leren gaat namelijk beter naarmate de leerling een nauwkeuriger beeld heeft van de lesdoelen. Maak de leerlingen duidelijk waar je het over gaat hebben, wat er gaat gebeuren, wat je van hen verwacht en hoe de evaluatie er uit zal zien.
Daarna komt het aanbieden van de vakinhoud. Zorg als docent ervoor dat er een logische opbouw in je lessen zit. (kop, romp,staart)
Stel als docent altijd vooraf de vragen: Welke leerprocessen wil ik te weeg brengen? Welke leermiddelen zet ik in om het leerproces te ondersteunen en hoe beoordeel ik de bereikte leerresultaten?
Laat de leerlingen nieuwe stof koppelen aan bestaande stof. Van eenvoudig naar ingewikkeld, van bekend naar onbekend, van het globale overzicht naar detail, van minder belangrijk naar belangrijk etc.
Het verbreden en verdiepen van kennis is van belang zodat leerlingen de stof eigen kunnen maken. Leerlingen verbanden laten leggen, nieuwe inzichten laten opdoen en eventuele onduidelijkheden laten verhelderen. Dit kan je als docent te weegbrengen door activerende vragen te stellen, activerende leertaken te ontwerpen en deze te laten uitvoeren. Laat leerlingen vergelijken,welke overeenkomsten zijn er welke verschillen, classificeren, welke groepen kun je maken, wat zijn kenmerken van de groep maar ook het onderbouwen van stellingen is hierin een goed middel, welke argumenten kan als bewijs gelden.
Daarna is het van belang dat leerlingen nieuw verkregen stof in integreren en kunnen toepassen in betekenisvolle situaties. Leerlingen zelf oplossingen laten bedenken en het laten reflecteren op hun eigen handelen is voor het leerproces van groot belang.

Integratiemogelijkheden met andere “vakgebieden”:
Koken, sociale vaardigheden, huishoudkunde, verzorging, creatieve vakken, drama, stagevorming en sport en spel zijn o.a. allemaal vakken die geïntegreerd kunnen worden.