Informatie over leerproblemen

 
Een leerprobleem of leerachterstand kan op veel manieren ontstaan. Er zijn verschillende soorten leerproblemen, allemaal met hun eigen unieke kenmerken.
Soms heeft een leerling een combinatie van meerdere leerproblemen, of een leerprobleem in combinatie met bijvoorbeeld een gedragsstoornis. Leerproblemen zijn voor een leerling zijn vaak heel lastig, je kunt immers op een bepaald gebied minder goed meekomen met de lesstof. Dit kan vele gevolgen hebben zoals, faalangst pesten, heftige onzekerheid. Maar kan ook leiden tot opstandigheid en extreem druk gedrag in de klas. Het is belangrijk om bij leerproblemen heel goed te kijken naar de beste oplossing voor de leerling. Er bestaan zowel binnen school als buiten school veel mogelijkheden om de leerling te helpen bij het zo goed mogelijk leren omgaan met het leerprobleem.

Leerling gaan op een bepaalde manier aan het werk. Op school krijgen ze een opdracht en daar gaan ze dan mee aan de slag. Als leerlingen op een goede manier aan de slag gaan met de opdracht is er sprake van een goede werkhouding en zullen de resultaten meestal ook goed zijn tenzij er sprake is van bijv. een lage intelligentie. Wanneer een leerling op een verkeerde manier aan de slag gaat met de opdracht, is er sprake van een werkhoudingprobleem. De resultaten van deze leerling zullen over het algemeen ook niet goed zijn (maar dat hoeft niet, bijvoorbeeld bij een hoge intelligentie).

Als een leerling werkhoudingsproblemen heeft, kan je dat aan zijn gedrag zien. Bijvoorbeeld als de leerling maar niet begint met werken, of al begonnen is met de opdracht voordat de volledige uitleg is gegeven.

Soms zitten de werkhoudingsproblemen van de leerling in het denken. Dan zie je dus niet aan het gedrag van de leerling dat er iets verkeerd gaat. Bijvoorbeeld als de leerling wegdroomt of snel is afgeleid,

Kenmerken van werkhoudingsproblemen:

Concentratie:
Als een leerling een werkhoudingsprobleem heeft wordt al snel gezegd dat er sprake is van een concentratieprobleem.
Er zijn twee aparte groepen binnen de concentratieproblemen:

Concentratiemoeilijkheden: Bij deze groep is er sprake geweest van bijvoorbeeld een gebeurtenis waardoor de leerling aan iets anders denkt dan aan zijn schoolwerk. Zijn gedachten dwalen dan steeds af naar wat er gebeurd is. Te denken valt aan een scheiding van de ouders of het verlies van een dierbaar persoon. Over het algemeen is zijn de concentratiemoeilijkheden tijdelijk.

Concentratiestoornissen: Bij een stoornis gaat het om een proces in de hersenen die niet veranderd of opgelost kan worden. Het is aangeboren en er moet mee worden leren geleefd. Te denken valt aan ADHD. Deze kinderen kunnen niet verantwoordelijk gehouden worden voor hun beperkte aandacht.

Er zijn drie verschillende vormen van aandacht.
Gerichte aandacht: De leerling wordt dan niet afgeleid door dingen die buiten hem om gebeuren, maar kan zijn aandacht bij de opdracht houden.

Volgehouden aandacht: Als de leerling zijn aandacht voor langere tijd bij de opdracht kan houden.

Verdeelde aandacht: De leerling kan zijn aandacht verdelen over verschillende aspecten van de opdracht. Dat is belangrijk om een ingewikkelder vraagstuk op te kunnen lossen.

De mate van aandacht is belangrijk voor de werkhoudingsstijl de leerling.

Impulsieve houding:
Als een leerling impulsief is, dan begint hij aan de opdracht zonder erbij na te denken. Een impulsieve leerling reageert meteen op in het oog springende details en kan daardoor ook afgeleid worden; het is daar teveel mee bezig.

De leerling zoekt een oplossing door te gokken. Het zal niet systematisch naar een oplossing zoeken, het probeert maar wat en als het niet werkt, probeert hij wat anders (of niet). Deze leerlingen weten aan het eind van de opdracht vaak ook niet hoe ze aan de oplossing gekomen zijn.

Weinig analytisch werken:
De leerling leest de opdracht te oppervlakkig of luistert niet goed naar de opdracht, waardoor de opdracht verkeerd uitgevoerd wordt. Het goed luisteren en bekijken van een opdracht alvorens ermee aan de slag te gaan, is een belangrijk aspect van een goede werkhouding.

Weinig zelfstandig werken:
De leerling heeft moeite om zelfstandig met een opdracht aan de slag te gaan. Ook vindt deze leerling het lastig om de opdracht te voltooien. In een klas zijn er veel leerlingen die hier last van hebben. Meestal komt dit voort uit onzekerheid, of de leerling heeft bevestiging nodig, voordat hij de opdracht als ‘af’ beschouwt. Deze leerlingen werken vaak chaotisch en er zit geen vaste lijn in hun manier van werken.
In eerste instantie analyseren ze de opdracht al onvoldoende, waardoor hij/zij niet weet wat het moet doen. Ook gaat hij niet uit zichzelf op zoek naar een goede oplossingsstrategie en heeft hier al hulp bij nodig. Pas aan het einde van de opdracht vragen ze aan de leerkracht of het goed is, en dan is het eigenlijk al te laat.

 Factoren in de leerling:

Medisch-lichamelijke factoren:
Voor een goede werkhouding is het belangrijk om lichamelijk goed en gezond te zijn. Wanneer je bijvoorbeeld ADHD, hebt, heb je concentratieproblemen.

Emotionele factoren:
Een voorwaarde voor een goede werkhouding is motivatie. Als er motivatie is de leerling, kan zelf een leerling met concentratieproblemen een goede werkhouding hebben.
Faalangst is ook een emotionele factor. Als een leerling een keer een slecht cijfer heeft gehaald voor een toets rekenen, kan het gaan denken dat hij niet kan rekenen. Dit is van invloed op het maken van de volgende rekentoets. Door de negatieve gevoelens, gaat het werken ook minder en raken ze gedemotiveerd.

Cognitieve factoren:
Wanneer een leerling geen goede voorkennis heeft opgebouwd door de jaren heen kan het opdrachten minder goed begrijpen of uitvoeren. Hiertoe behoren ook de taalontwikkeling, motoriek, voldoende ruimtelijk inzicht, auditief en visueel geheugen, abstractievermogen etc. (behoren tot de intelligentie).De cognitieve stijl van de leerling is ook van invloed op de werkhouding. Dit is de manier waarop het kind denkt en hoe hij zijn voorkennis gebruikt.

 Factoren in de omgeving:

 Kenmerken van de leerkracht:
De persoonlijkheid van de leerkracht kan van invloed zijn op de werkhouding van het kind. Te denken valt aan de benadering van de kinderen (is hij dominerend of juist sociaal ingesteld. Het taalgebruik van de leerkracht. Is dit persoonsgericht (Dat heb je goed gedaan,
Tom!) of situatiegericht (Het was wel moeilijk voor je hè?). Ook is de organisatie van de lessen van de leerkracht van invloed. Als de leerkracht een structurerende opbouw heeft, kan aansluiten bij het kind en in kleine stapjes werkt, vermijdt werkhoudingsproblemen bij het kind.

Taakkenmerken:
Hoe complex is de opdracht; hoe lang is de opdracht; wanneer wordt de opdracht gegeven (aan het einde van de dag of juist aan het begin?); de motiverende elementen in de taak zelf (hoe leuk wordt de saaie leerstof gemaakt door de leerkracht, of bijvoorbeeld film/plaatjes/vorm van opdracht). (Activerende werkvormen)

Sociaal-emotionele factoren:
De ouders en leeftijdsgenootjes hebben ook hun invloed op de werkhouding van de leerling. De interactie met de omgeving moet daarom ook goed bekeken worden.
Bijvoorbeeld de manier waarop de ouders thuis met de leerling omgaan (op welke manier worden ze gestimuleerd om hun huiswerk te maken, mag de leerling het zelf ontdekken?). Als leerlingen thuis weinig regels opgelegd krijgen en er nauwelijks grenzen worden aangegeven, zullen het op school ook over het algemeen moeilijk hebben.

Sociaal- materiële factoren:
Dit gaan om de manier waarop bijvoorbeeld het klaslokaal is ingericht. Als deze gezellig is, zal dat de werkhouding goed doen omdat het kind zich goed voelt, maar aan de andere kant kan het ook snel afgeleid raken.

Praktische aanpak werkhoudingsproblemen (voor school, ouders en leerling):

Basisprincipes: structuur en geduld:
Normen en afspraken moeten voor de leerling belangrijk zijn, wil het goed aan het werk kunnen gaan. Voor elke leerling is het belangrijk dat er duidelijkheid is over de opdracht, de manier van uitvoeren, de probleemoplossing etc. Maar ook over de manier waarop het met anderen om moet gaan.

Verbaliseren. Om het denkproces te kunnen sturen heb je taal nodig. De verschillende processen en fasen moeten daarom duidelijk verwoord worden. Ook moet de leerling leren om de stappen die hij neemt te verwoorden.

Visualiseren. Plaatjes kunnen de denkprocessen ondersteunen. Verder kunnen processen ook ondersteund worden door bijvoorbeeld schema’s of symbolen.

Model staan. De docent moet de leerling voordoen hoe iets moet. Dit gaat schematisch als volgt:

1.    de docent verwoord de denkstappen hardop en de leerling volgt.
2.    de docent verwoord de denkstappen hardop en de leerling voert de opdracht uit.
3     de leerling verwoordt hardop en voert zelf de opdracht uit.

Een leerling  met werkhoudingsproblemen heeft het nodig dat opdrachten regelmatig herhaald worden. De leerling moet de tijd krijgen om te wennen aan nieuwe regels en verwachtingen. Ook zal het het geleerde niet zo makkelijk ook in een andere situatie toepassen. Het is daarom belangrijk dat de docent hierin geduld kan opbrengen en de leerling hierin begeleid en ondersteund.